De geschiedenis achter de erepenning der Compagnie Friesche vrijwillige Jagers 1815 

Paragraaf 2: De beschrijving van de erepenning der Compagnie Friesche Vrijwillige Jagers 1815

De erepenning voor de Friese Vrijwilliger Jagers is ingesteld bij Koninklijk Besluit van 12 maart 1818 No. 46 en uitgereikt aan de Friese Vrijwillige Jagers te voet welke dienst hebben gedaan in 1815. De instelling van de erepenning der Compagnie Friesche Vrijwillge Jagers is begonnen met een verzoek aan de Koning om een medaille te mogen uitreiken aan alle Jagers van de compagnie. Het verzoek is opgesteld met ondertekening van 27 Jagers van de Compagnie. 

4 afbeeldingen van het verzoek van de 27 Jagers aan de Koning (Algemene Staatsecretarie, H2400, 2.02.01, inventarisnummer 582 depot 502B 41/08.1 t/m 41/08.7)

De letterlijk inhoud van bovenstaande verzoek aan de Koning die de 27 Jagers hebben ondertekend is als volgt:

Aan Zijne Majesteit den
Koning der Nederlanden
13 Jany 1818 n. 34

Geven met de meeste mogelijke onderdanigheid te kennen de ondergeteekende leden der voormalige Compagnie Vriesche Vrijwillige jagers zoo van zich als voor hunne afwezige wapenbroeders. Dat zij, welke in den jare 1815 een ondubbelzinnig blijk meenen te hebben gegeven van hunne liefde voor Koning en Vaderland, het zich tot de hoogste eer zouden rekenen, om even als de vrijwilligers van andere bevriende mogendheden aan distinktief teken te mogen dragen ten einde onderscheide te zijn van hen, die toen het Vaderland in nood was, metter harer verdediging zijn toegesneld.
Om deze reden Sire, wende de requestranten zich eerbiedig tot Uwe Majesteit met aller onderdanigst verzoek, dat het Uwe Majesteit zal mogen behagen de leden der voormalige Compagnie Vrijwillige Vriesche Jagers toetestaan om voor hunne rekening te laten slaan een Zilverepenning voerende op de eene zijde het Wapen der Provintie Vriesland en op de keerzijde Voor Koning en Vaderland en het jaartal 1815, en om de requestranten grateuselijk te willen accordereeren deze penning te dragen aan een lint waarvan zij de kleur gaarne van wege Uwe Majesteit bepaald zagen.
De requestranten Sire, vragen het verlof tot het dragen van dit vereerend onderscheidings
teken alleen om te mogen strekken ten bewijze van hunne verknogtheid aan Koning en Vader
land, in de dagen van algemeen gevaar, alzoo zij in de maand April 1815 hunnen Compagnie hebbende opgerigt, reeds in de maand Mei gereed waren om geheel geequipeerd te velde
te trekken en zich toenmaalsom wel bepaaldelijk in het begin der maand Junij van dat jaar
ter bekoming der nodige orde daar toe, bij requeste hebben geadresfeerd, blijkens nevengaande bijlage Sub A zoodat het geheel buiten de schuld der requestranten is, dat zij niet onmiddellijk ook het hunnen met hebben mogen toebrengen tot de groote Overwinningen welke Uwe Majesteit wapenen met roem overdekt hebben.
De requestranten Sire, zoude het waarschijnlijk nimmer gevraagd hebben Uwe Majesteit het tegenwoordig verzoek te doen, waren zij hiertoe met aangemoedigd door het toe staan van het dragen van eene dergelijke decoratie aan de Amsterdamsche Schutterij, welke het belegeringss Corps van Naarden hebben uitgemaakt, vermenende de requestranten door hunne geheel vrijwilig engagement, meer der bewezen van verknogtheid aan Uwe Majesteit, en van liefde voor het Vaderland te hebben gegeven dan de Schutterij van voormelden stad.

Uwe koninglijke Majesteits meest onderdanige en meest getrouwe dienaaren

T. Andringa van Hylckama Controleur der directe belastingen
B. Poppes – Koopman G. van Schelle Controlleur Magazijn Meester van 't Zegel
Robide van der Aa Secretaris van Lemsterland R. van Breugel Controleur der directe belastingen
G.A. van Nauta secretaris van Rauwerderheim J.J.A..de Blecourt Griffia van het ……..gerecht
B.A. van Boelens ontvanger der directe belasting J.C. Driesfen ontvanger der registratie
D.A. Evertsz Koopman J.D.C. Stocker ……….. R. Buijsing ………. bij de registratie
G. Andreae Ontvanger der Registratie H.J. Ladenius Klerk bij het Gouvernement
A. de Graad Ontvangen van de ind belastingen
A.H. Osinga Luitenant Adjudant van het staf N.5 Schutterij
J. Wentholt Controleur der directe belasting
B.A. van Hijkckama Lid van de Regtbank van eersten aanleg te Sneek
K.O. van der Veen Koopman A. van Otterloo
D. Ruitinga Ontvanger der ind. Belastingen
op last van D.B. Plantinga ambtenaren der vergunningen
en van Ringh en licenten
R. Biersma commis griffier bij de regtbank van Eersten
aanleg te Heerenveen
H. Haafkens klerk op de secretarij vande stad Sneek
J.A. Ruel Engelman Ontvanger der Direct Belastingen
J.M. de Jonge Directeur van het Postkantoor Griffier van het geregt te Sneek

Op 11 maart schrijft De Minister van Staat en Kanselier der Orde van de Nederlandse Leeuw Roell een advies aan de Koning:

2 afbeeldingen van het advies van Roell aan de Koning (Algemene Staatsecretarie, H2400, 2.02.01, inventarisnummer 582 depot 502B 41/08.1 t/m 41/08.7)

De tekst van het advies van Roell aan de Koning luidt als volgt:

's-Gravenhage 11 Maart 1818

Orde van den Nederlandschen
Leeuw. Kanselarij N: 499

Uwe Majesteit heeft mij gelast mijne consideratien en advies op het rekwest van eenige leden van een Corps Friesche Vrijwillige Jagers uit te brengen, houdende verzoek, wegens hunne bewezene diensten, even gelijk andere Corpsen, welke zich tijdens de omwending van 1813 boven andere verdienstelijk gemaakt hebben eene medaille ten hunnen koste te slaan en als een versiersel aan een lint hangende te mogen dragen.

Volgens de bij mij ingekomen berigten is dit Corps, het welk zich geheel op eigen kosten geequipeerd heeft, bij het openen van den veldtocht van 1815 met een ware geestdrift samengesteld geworden, en hebben de leden van het zelve, door hun gehouden gedrag en stipte krijgstucht zich alle lof verworven het blikt duidelijk dat het buiten hun toedoen geweest is, dat zij aan de roemrijke slag van Waterloo geen deel hebben mogen nemen daar zij het opmarcheeren geene orders ontvangen hebben.
Het zijn deze redenen die mij niet doen aarzelen Uwe Majesteit tot het nemen eener gunstige dispositie op dit verzoek te adviseeren en alzoo aan de leden van dit Corps even als aan de burger van 's Hage en van andere steden, die zich tijdens de omwending van 1813 voor het vaderland hebben verdeinstelijk gemaakt, het dragen eener medaille aan een lint tot te staan.Daar nogtans Uwe Majesteit zich, behalve in het enkel buiten gewoon geval van den Brielle met de uitdeeling der medaille niet heeft ingelaten, neem ik de vrijheid om ingeval Hoogstdezelve zich met mijn gevoelen in dezen mogt vereenigen in overweging te geven, ook in dit geval alleenlijk de noodige autorisatie tot het dragen der toetekennen medaille aan een lint, waartoe ik de blaauwe couleur met eenen geelen streep in het midden voorstelle, te verleenen, en omtrent al, wat de uitdeeling en inrigting der medaille betreft, aan den Gouverneur van Vriesland over te laten, zoodanig te handelen als zijn Hoogstelijkst het meest geschikt zal voorkomen, aan denzelven tevens over latende, al dat geen bij gelegenheid der uitdeeling te verrigten wat zijn Hoogstellijkst zal oordeelen, dat tot bereiking van het oogmerk in dezen dienstig zijn kan.

De Minister van Staat, Kanselier der
Orde van den Nederlandschen Leeuw

Roell

Op het advies van Roell volgt een positief besluit wat leidt tot het Koninklijk Besluit van 12 maart 1818 No. 46 waarin de instelling van de Erepenning voor de compagnie Friesche Jagers 1815 wordt bekrachtigd.

2 afbeeldingen van Koninklijk Besluit No 46 uit het Nationaal Archief (Algemene Staatsecretarie, H2400, 2.02.01, inventarisnummer 582 depot 502B 41/08.1 t/m 41/08.7) waarin goedkeuring wordt gegeven tot de aanmaak en uitreiking van de erepenning Friesche Jagers 1815.

De tekst van het instellingsbesluit No 46 luidt als volgt:

12 Maart 1818,
no. 46.

Wij WILLEM, bij de gratie Gods, Koning
der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau,
Groot-Hertog van Luxemburg, enz. enz. enz.

Op het daartoe aan ons gedane verzoek; Gezien het rapport van Onzen Minister, Kanselier der Orde van den Nederlandschen Leeuw, in dato 11 Maart 1818, no. 499; Hebben goedgevonden en verstaan aan de Personen, die in den jare 1815 hebben uitgemaakt de Compagnie Vriesche Vrijwillige Jagers te voet, te permitteren, om voor hunne eigene rekening te laten slaan een Zilveren Penning, voerende op de eene zijde het Wapen der provincie Vriesland, en op de keerzijde de woorden; Voor Koning en Vaderland, en het jaartal 1815, en om voorts dezen penning te dragen aan een lint blauw met een geelen streep in het midden; wordende al hetgeen de uitdeeling en de inrigting van dezen Penning betreft, overgelaten aan den Gouverneur der Provincie Vriesland. Te welken einde een afschrift dezer zal worden gezonden aan Onzen Minister van Binnenlandsche zaken, en voorts gelijke afschrift worden uitgereikt aan Onzen Minister Kanselier der Orde Van den Nederlandschen Leeuw en aan de Supplianten tot informatie en  narigt.

's Gravenhage, den 12 Maart 1818.

WILLEM